Chonsoe

Chonsoe in de open hof van Ramses II in de Luxortempel

De hoofdfunctie van Chonsoe in de Egyptische religie was die van een maangod en daarom werd hij afgebeeld met de maneschijf en de manesikkel op zijn hoofd. De naam Chonsoe (“Hnsw”) betekent “de reiziger” en verwijst hoogstwaarschijnlijk naar zijn nachtelijke reis door de hemel in een bark.
Chonsoe assisteert Djehoeti (Thot) in het markeren van de loop van de tijd. Chonsoe was de zoon van Amon en Moet. Hij wordt afgebeeld als een gemummificeerde jongeling met de zijlok, hij houdt eveneens de koninklijke symbolen de kromstaf en de vliegenklap vast en draagt vaak, net als Ptah, een menat. Het zijn van (gemummificeerde) jongeling hangt nauw samen met zijn wezen als god van de zich immer verjongende maan.
Als het kind van Amon en Moet heeft Chonsoe nauwe verbindingen met twee andere goddelijke kinderen: de god van de lucht Sjoe en de valkenkoppige god Horus. Vanwege deze laatste associatie wordt Chonsoe soms afgebeeld met een valkenkop, een schijf en een manesikkel (zie foto). Hij wordt eveneens verbonden met Horus in zijn rol als beschermer en genezer. Met name bij blindheid wordt hij aangeroepen, maar hij kan ook ziekten veroorzaken.
Chonsoe wordt in vroege Egyptische religieuze teksten beschreven als een tamelijk bloeddorstige godheid. Zo wordt er van Chonsoe in sarcofaagtekst 258 gezegd: ” Chonsoe, die leeft van harten” en in sarcofaagtekst 994: “Hij leeft van hoofden”.
Hoewel Chonsoe dus in vroege teksten wordt genoemd, wordt hij pas in het Nieuwe Rijk een prominente god. In de Natijd krijgt hij zelfs het epitheton “de grootste god van de grote goden” en was er in Thebe een cultus voor hem als “Chonsoe in Thebe, Neferhotep”. Thebe staat hier voor de Thebaanse gouw en de naam Neferhotep betekent waarchijnlijk de “volkomen begenadigde”. Tevens vindt er een goden-splitsing plaats: links en rechts van het cultusbeeld staan twee andere gestalten en wel bavianen. Rechts Chonsoe-pa-wen-nech(en)oe en links Chonsoe-pa-jr-secheroe. Beiden zijn populaire goden die het Boek van het Leven en het Boek van de Dood beheren. De vaststelling van een levensloze gebeurt d.m.v. een orakel, het orakel van Chonsoe is een van de meest geliefde orakels in de Ramessiedentijd. Deze drie-eenheid is ook in Tanis teruggevonden.

Een van de oudste scheppingsmythen is bekend als de Chonsoe kosmogonie, die bewaard is gebleven in een tekst uit de Ptolemaeëntijd op de muren van de Chonsoetempel in Karnak. De kosmogonie verklaart de verbinding van de Thebaanse Chonsoe met de scheppingsmythen van Memfis en Hermopolis.
In zijn rol als genezende god werd Chonsoe bekend buiten de grenzen van Egypte. Een stèle, vermoedelijk uit de 21e dynastie, vermeldt het zenden van een beeld van Chonsoe naar Bekhten/Bachtan om een zieke prinses te genezen, bij zijn aankomst was de prinses meteen genezen. De heerser van het land probeerde het beeld voor zijn land te behouden, maar Chonsoe verscheen in een nachtmerrie als een gouden valk, en de heerser liet het beeld teruggaan naar zijn tempel in Thebe, waar hij bij zijn aankomst met grote vreugde werd ontvangen.
De roem van Chonsoe als genezer ging door tot in de Ptolemaeëntijd. Ptolemaeus IV werd van een onbekende ziekte genezen door de interventie van Chonsoe en hij was zo onder de indruk dat hij zichzelf later noemde “Geliefd door Chonsoe, die Zijne Majesteit beschermt en de duivelse geesten verdrijft”. Chonsoe had ook cultusplaatsen in Memfis, Edfoe en Hibis. In Kom Ombo werd hij vereerd als onderdeel van een triade, waarin hij het kind was van Sobek en Hathor. Mogelijk dat deze verbinding de oorzaak is dat hij soms ook in een krokodillengestalte wordt afgebeeld, o.a. in de Hibistempel in Charga-oase. In de tempel van Medinet Haboe brengt hij in krokodillengestalte dagelijks offers bij de graven van de ogdoade.

Zijn karakter heeft zich dus veranderd van een mensenvernietigend wezen tot een god van de levenstijd en ook tot een genezende god en een orakelgod en i.h.b. als een beschermende god tegen kwaaraardige dieren en ziekten.