Osiris

Osiris afgebeeld in het Dodenboek van Hoenefer

Er zijn veel pogingen gedaan om het karakter van Osiris te interpreteren, hetgeen volgt is slechts een zeer korte samenvatting van sommige theorieën. De meeste egyptologen zijn het eens dat hij moet worden beschouwd als een god van vegetatie en van wederopstanding, naast zijn aspecten als maangod, koning en rechter van de doden.
Een theorie is dat Osiris in hoofdzaak een vegetatiegod was, de bron van het leven en vruchtbaarheid, wiens jaarlijkse dood en opstanding samenviel met de seizoenen van het agrarische jaar. Vanuit deze rol werd Osiris in het bijzonder een god van het graan en symboliseert hij de wedergeboorte van het graan. Zijn vroegste associatie met het graan komt voor in “De dramatische Papyrus” uit het Ramesseum, uit de tijd van Senwosret I. Hij neemt de rol over van Neper, een personificatie van het koren die geen lokale cultus had. Hieruit kwam weer voort dat Osiris de wedergeboorte uit het Nijlslib personifieerde na de jaarlijkse Nijloverstroming. Dit maakte hem dan tot symbool van het leven na de dood te hebben overwonnen en van de overwinning van het goede over het kwade. Als een vegetatie-god die jaarlijks stierf en enige tijd in de onderwereld doorbracht ontwikkelde hij zijn andere en even belangrijke rol als god van de doden.
Ook is gesuggereerd dat Osiris van oorsprong een menselijke koning was. Met name in de klassieke bronnen wordt veel aandacht gegeven aan deze rol als vroegere heerser die landbouw en beschaving bracht aan zijn onderdanen en die werd vereerd als een dode koning. Volgens A.R David is deze rol als menselijke koning echter meer een Griekse dan een Egyptische traditie en is te danken aan zijn identificatie met Dionyssos. De koninklijke regalia, de kromstaf, vliegenklap en kroon, heeft hij eerder i.v.m. zijn rol als koning van de doden dan als oorspronkelijke koning. Er is geen bewijs dat Osiris een historische rol heeft gespeeld of zelfs dat hij een inheemse god was van een van de gouwen.
Een derde theorie verwijst naar de primaire rol van Osiris in het OR als god en koning van de doden. Dit gaf hem macht over het water en de vegetatie, die op hun beurt hem macht gaven over de vruchtbaarheid en de mogelijkheid leven te garanderen over de dood. Als god van de doden, die zelf getriomfeerd had over de dood, was hij bij uitstek degene die kon oordelen of de dode toegang kon krijgen tot het eeuwige leven.
De oorsprong van zijn naam is duister, veel verklaringen zijn naar voren gebracht. Een van de meest recente is dat “wsjr” afgeleid is van “wsr” (= de Machtige). Geleerden hebben de overeenkomst benadrukt tussen Osiris en andere natuurgoden uit het oude Nabije Oosten, zoals Attis, Adonis en de Griekse Dionysos. In de mythen zijn Osiris en Adonis beide herdersgoden, beide worden gezocht door een godin, die hem ritueel betreurt en begraaft. Het voortgaande leven van de dode komt tot uitdruk-king in de uitlopende vegetatie. Helck meent dat de naam Osiris niet Egyptisch is en suggereert dat zijn mogelijke oorsprong uit de oostelijke delta wellicht gekoppeld kan worden aan Syrische goden. Anderen zien Osiris oorspronkelijk als een vegetatiegod, die later de attributen van de herdersgod Andjeti heeft overgenomen. In tegenstelling tot Adonis was Osiris de heerser over de dood en stond niet op als een jonge god.
In het MR heeft Osiris de plaats van Re ingenomen als de hoogste god in de harten van de mensen. Osiris is tenslotte degene die elke Egyptenaar het eeuwige belooft en zeker na de roerige 1e Tussen-tijd sprak deze visie de Egyptenaar enorm aan. Van belang hierbij was natuurlijk dat de riten voor Osiris uitgevoerd werden en dat de riten van de mummificatie werden nagekomen. Met name in het MR lieten veel mensen stèles in Abydos oprichten om zo dicht mogelijk bij Osiris te zijn en daardoor deelgenoot te zijn in de opstanding van Osiris.

Vanuit het geloof dat Osiris een weer opgestane, vergoddelijkte koning was, kwam het idee op dat elke dode farao in feite Osiris werd en dat elke levende farao Horus was, zijn zoon en wreker. Dit concept is het fundament van de hele dodencultus van de Egyptische farao’s, maar ook van de dagelijkse cultus in de tempel, want de farao moest Osiris worden om zijn souvereiniteit te laten voortduren en na zijn dood het koningschap kon vervolgen. Als verpersoonlijking van verrijzenis en duurzaamheid staat Osiris symbool voor een stabiele en langdurige regering.
Wezenlijk is Osiris de heer van het leven, van de eeuwigheid, van de kosmos, maar hij is ook een “redder”, die door zijn opstanding, het privilege heeft om het leven van de farao en later van elk mens ook buiten het graf te verzekeren.

De kennis over Osiris is gebaseerd op drie hoofdbronnen. De eerste bron is het werk van Plutarchus, waarin de bekende mythe van Osiris is bewaard en zowel Griekse, Egyptische als elementen uit het oude Nabije Oosten bevat. Zoals eerder opgemerkt is de vorm meer een Griekse traditie dan een Egyptische mythe. De tweede bron zijn de Piramidenteksten, waarin de oudste verwijzingen voorkomen naar de mythe van Osiris. De derde bron is de vermelding en de afbeelding van de Osirisfeesten op de muren in de tempels, met name uit de Late Tijd.
De oorsprong van de Osiriscultus ligt, gezien de piramidenteksten, volgens RD eerder in Abydos dan in Boesiris, hoewel de naam Boesiris zijn oorsprong heeft in “Pr-Wsjr” en Plutarchus vertelt dat Osiris in Boesiris is geboren. De oorspronkelijke god van Boesiris was Andjeti, een god in mensengedaante met koninklijke regalia en een kroon bestaande uit twee veren. In tegenstelling tot Osiris werd hij afgebeeld als een levende god en dus niet als mummie. Mogelijk heeft Osiris behalve de koninklijke regalia ook zijn twee veren overgenomen. Een andere theorie is dat de farao in eerste instantie de koninklijke symbolen heeft overgenomen en vanaf het moment dat de dode farao verbonden werd met Osiris, de laatste op zijn beurt deze heeft overgenomen van de farao.
Of Osiris nu wel of niet oorspronkelijk uit Abydos kwam, hij was niet de oudste god van Abydos, dat was “De voorste van de Westelijken”. Deze oorspronkelijke dodengod van Abydos had de gedaante van een jakhals, maar aan het eind van het OR had Osiris zich helemaal geïdentificeerd met deze god en in Piramidentekst 690, § 2108 a-b (‘O koning, u bent gekleed als een god, uw gezicht is die van een jakhals zoals die van Osiris’) wordt Osiris aangeduid met een jakhalskop. In het MR absorbeerde Osiris de epitheta van de vroegere god en verschijnt Osiris in de tempel van Abydos o.a. als “De voorste van de Westelijken”. Naast dit epitheton verkreeg Osiris ook epitheta als De grote god, Heer van het heilige land(“nb ts dsr), Heer van Abydos, Heer van Boesiris, Heer van de woestijn, Heer van het (schone) westen, Heer van Rosetaoei, Wennefer (“wnn-nfr”), waarvan de vertaling mogelijk luidt “degene die bestaat, indien hij zich vernieuwt”, Heer van het leven, Heer van de eeuwigheid(meestal “d.t, maar ook een enkele keer “nhh” geschreven) en Heer van de hemel.
De verering van Osiris werd wijd verspreid en in Abydos werd binnen de cultus van Osiris de koninklijke grafriten en de cultus van de oorspronkelijke goden geabsorbeerd, bewaard en vervolgd, zelfs als de farao ergens anders werd begraven. De cultus van Osiris ontwikkelde zich in Abydos, die niet langer de band nodig had met de koninklijke necropolis. De rituele cermonie die in Abydos werd gevierd, werd uiteindelijk vanaf de Ptolemaëntijd in alle tempels in Egypte uitgevoerd in de maand van Choiak.

Foto: Wikipedia